Kerkfabrieken

Het woord ‘KERK’ heeft een dubbele betekenis:
* het (kerk)gebouw, meer in het bijzonder een gebouw bestemd voor de uitoefening van de christelijke eredienst;
   bv. de kerk van Ramskapelle.
* de organisatie van een christelijke gemeenschap; bv. de katholieke Kerk.
Zo kan men op lokaal vlak twee instanties onderscheiden:
* de ‘Kerkfabriek’ als eigenaar en/of beheerder van het kerkgebouw. ‘Fabrica ecclesiae’ betekent de bouw van een
   kerk, en in ruimere zin de fondsen nodig voor de bouw en het onderhoud.
* de ‘Parochie’ als de religieuze organisatie, erkend als hoofdgebruiker van het kerkgebouw [zie Parochies].


(1) Achtergrond

De oorsprong van kerkfabrieken gaat terug tot in de middeleeuwen. Zo ging bij de besteding van de haringtienden een deel naar het kerkgebouw (beheerd door kerkmeesters), een deel naar de geestelijkheid (bedienaars van de kerk), en een deel naar de armendis.
Het institutionele kader voor de instelling van kerkfabrieken zoals we die nu kennen, dateert uit de periode van de Franse revolutie. Kerkelijke goederen werden toen onteigend en genationaliseerd. Overleg tussen Napoleon en de paus resulteerde in het keizerlijk decreet van 1809.
Het onafhankelijke België nam het decreet over, met latere wijzigingen en aanvullingen.
Na de s
taatshervorming van 2001 lanceerde het Vlaams gewest het decreet van 2004 (en latere decreetwijzigingen) met betrekking tot de organisatie, het toezicht en de financiering van de instellingen die belast zijn met het beheer van het patrimonium bestemd voor de uitoefening van de erkende erediensten.

(2) De eredienst

In België wordt de eredienst beschouwd als een openbare dienst. De burgerlijke overheid, die bepaalde erediensten erkent, zal naast de bezoldiging van de bedienaars van de erediensten, ook openbare instellingen oprichten (kerkfabrieken, eredienstbesturen) die instaan voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst mogelijk maken. Religieuze aangelegenheden daarentegen, evenals het oprichten van parochies en het aanstellen van pastoors, zijn een bevoegdheid van de kerkrechtelijke instanties.
Vandaar het o
nderscheid bij de organisatie van de EREDIENST:
Materiële zaken: Kerkfabrieken ( < Agentschap Binnenlands Bestuur < Vlaams Gewest )
Religieuze zaken: Parochies ( < Bisdom < Katholieke Kerk )
Er dient vermeld dat de publiekrechtelijke institutie via kerkfabrieken zich enkel situeert op het vlak van de officiële eredienst. Daarnaast vinden er tal van pastorale activiteiten plaats waarvoor de parochies zelf instaan. 

(3) De kerkfabriek

Een kerkfabriek is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. Dus een publiekrechtelijke entiteit met een eigen vermogen en een eigen bestuur (kerkraad), onder het administratief (goedkeurend) toezicht van de burgerlijke overheid (gemeente, gouverneur).
Het bisdom heeft terzake enkele bijzondere rechten: o.a. vertegenwoordiging in de kerkraad (normaal door de pastoor), adviesrecht op budgettair vlak, goedkeuringsrecht over nevenbestemming van kerken.

Functies van een kerkfabriek:
* Als beheerder van een kerkgebouw staat een kerkfabriek in voor de gebouwkosten: verlichting, verwarming,
   schoonmaken, onderhoud, herstellingen (ook bv. aan het vaste orgel).
Dit alles gericht op het materieel mogelijk
   maken van de openbare eredienst, evenals op het in
stand houden van het kerkelijk erfgoed.
* Specifiek eredienstgerichte benodigdheden zoals kerkgewaden, lezenaar, hosties; alsmede het personeel dat de
   eredienst omkadert zoals een koster of orgelist.

* Een kerkfabriek heeft ook een beslissende rol met betrekking tot het nevengebruik van een kerk.
* Een kerkfabriek kan ook een privaat patrimonium bezitten. Het betreft dan goederen en gelden die verworven zijn
   door schenkingen of legaten of aangekocht met eigen vermogen.

De kerkraad, het bestuursorgaan van een kerkfabriek, bestaat uit zes leden: vijf verkozen leden en één vertegenwoordiger van de parochie (door de bisschop aangesteld). Alle leden hebben elk 1/6 stemrecht en beslissingen worden aangenomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
Als openbaar bestuur is de kerkfabriek onderworpen aan een resem wettelijke verplichtingen. Financiële verrichtingen moeten gestaafd worden via officiële boekhoudkundige staten. Bij tekorten in de exploitatie of bij investeringen zal in principe de gemeente een financieringsbijdrage leveren.

(4) Het centraal kerkbestuur

Het centraal kerkbestuur (CKB) overkoepelt alle kerkfabrieken in een gemeente.
* Het CKB staat in voor de coördinatie van het beleid van de ressorterende kerkfabrieken, en dus het beleid met
   betrekking tot de kerkgebouwen op het grondgebied van een gemeente.

* Het CKB is het officiële overlegorgaan met de gemeente en de hogere overheden. In dit verband kan het centraal
   kerkbestuur bindende kaderafspraken maken met het gemeentebestuur.

* Het CKB begeleidt en ondersteunt de kerkfabrieken in de uitvoering van hun kerkbeheer. Bepaalde taken kunnen
   ook gedelegeerd worden naar het centraal niveau (bv. samenaankopen).

De kerkbestuursraad bestaat uit (ingeval er vier kerkfabrieken zijn) drie afgevaardigden van de kerkraden, één aangestelde expert, en één vertegenwoordiger van de bisschop. Alle leden hebben elk 1/5 stemrecht en beslissingen worden aangenomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

Reacties zijn gesloten.